53

Save pagePDF pageEmail pagePrint page

Psalm 53

53:1 De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen Elohim.
Zij handelen verderfelijk, zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand die goeddoet.
53:2 Elohim heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen, om te zien of er iemand verstandig was, iemand die Elohim zocht.
53:3 Ieder van hen heeft zich afgekeerd, tezamen zijn zij verdorven, er is niemand die goed doet, zelfs niet één.
53:4 Hebben zij dan geen kennis die onrecht bedrijven, die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen Elohim niet aan.
53:5 Daar zijn zij door angst bevangen, maar er was niets angstwekkends; want Elohim heeft de beenderen van uw belagers verstrooid. U hebt hen te schande gemaakt, omdat Elohim hen heeft verworpen.
53:6 Och, dat Israëls volkomen verlossing uit Sion kwam! Wanneer Elohim de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren, dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Psalm 52 | Psalm 54

Share