Zacharia 10

Save pagePDF pageEmail pagePrint page

ZkharYâ ́hu (Zacharia) 10

Wanneer Zijn hulp vragen om te groeien, voor de oorlog om Zijn naam

1. Vraag om regen van Yâ-hwéh gedurende de periode van de lente [maanden 1-2], Yâ-hwéh produceert bliksemschichten en Hij zal voor hen zorgen met een regenbui voor elke plant op het veld, [~mensen, waaronder tarwe (9:17)] 2. omdat de necromantische beelden, zij zullen de goddeloze moeite dicteren, en degenen die waarzeggerij beoefenen, zij hebben zich de Leugen voorgesteld, en dromen van de waardeloosheid, zij zullen ijdelheid dicteren, zij zullen troosten overeenkomstig dit; zij dwalen als schapen, die benauwd worden omdat er niemand is die herder is! 3. “Over Yisrâ’ë ́l buiten dat is behorende tot de ene (n.) [~Yehuwthâ ́h] niet zijnde de herders, werd hij, die geen acht slaat op de Passie van Mij van Yisrâ’ë ́l, zelfs tegen Yisrâ’ë ́l buiten dat niet behoort tot de ene (n.), geërgerd. [~Yehuwthâ ́h], zijnde de lammeren die ik zal overzien van Yisrâ’ë ́l. Hoewel hij zal waken, is Yâ-hwéh Yâhuwshúa` Hij Die geen acht slaat op de machtige van ‘aharón (lichtdrager/verlichter): hij die geen acht slaat op de Behouder van allen, behoort niet tot degenen die de kudde zijn van de Ene (m.), van de Zoon. Niet van de Ene (n.) [~Yehuwthâ ́h] is het huis van Yâhuwthâ ́h (Beroep van Yâ-hwéh), het hart van Yisrâ’ë ́l; hoewel hij degenen zal organiseren die dezelfde zijn als die van de Zoon als die van het paard [~wit (Openbaring 6:2)], de bevalligen van dezelfde Ene (m.), van de Zoon binnen de enen (m.), onder Yisrâ’ë ́l behorende tot de oorlogsaanhangers [14:20, Openbaring 19:11] 4. van Yisrâ’ë ́l. En van hem die “Ik zal doen bestaan” (‘a-hyéh)(56) van Yisrâ’ë ́l van dezelfde (m.) van de Zoon, zal hij [~Yehuwthâ ́h] aankijken om Yisrâ’ë ́l te begeren. En van hem die “Ik zal doen bestaan” (‘a-hyéh)(57) van Yisrâ’ë ́l van dezelfde (m.) van de Zoon, hij [~Yehuwthâ ́h] organiseerde Yisrâ’ë ́l. En van hem die “Ik zal doen bestaan” (‘a-hyéh)(58) van Yisrâ’ë ́l van dezelfde (m.) van de Zoon, de boog [1 Moshéh 9:13, YirmYâ ́huw 9:2, 49:35, YchezqË ́’l 1:28, Openbaring 4:3] is binnen de enen (m.), onder Yisrâ’ë ́l. Met de hartstocht afkomstig van hem die “Ik zal doen bestaan” (‘a-hyéh)(59) van Yisrâ’ë ́l van dezelfde (m.) van de Zoon, zal iedereen (m.) voortkomen die zonder aanzien des persoons (m.) is die degenen (m.) onder Yisrâ’ë ́l uitdrijft, binnen, van degenen (m.) die niet tot dezelfde (n.) behoren, van de Zoon 5. van Yisrâ’ë ́l, Zo zullen zij [het huis van de Profeet van Yâ-hwéh (v. 3)] worden als krijgers die de uitersten vertrappen in het slijk, en zij zullen strijden omdat Yâ-hwéh met hen is, maar de beredenen te paard(60) [~bedriegers (MiykhâYâ ́hu 1:13, 5:10, Hooglied 20:7, 33:17)] zullen te schande worden gemaakt, 6. en Ik zal het huis van het Beroep van Yâ-hwéh (Yâhuwthâ ́h) dapper maken en het huis van Yâ-hwéh zal vergaderen (Yâhuwçë ́ph), Ik zal redden en Ik zal hen doen vestigen, omdat Ik medelijden met hen zal hebben gehad en het zal worden alsof Ik hen niet verworpen had, want Ik ben Yâ-hwéh hun Macht, en Ik zal hen antwoorden!
7. Dan zal ‘Ephráyim worden als een dapper man, en hun hart zal zich verheugen als van wijn, en hun zonen, zij zullen zien en zij zullen zich verheugen, hun hart zal zich verheugen in Yâ-hwéh! 8. Ik zal naar hen fluiten en Ik zal hen bijeenbrengen, omdat Ik hen zal hebben vrijgekocht [14 januari 4000], en zij zullen talrijk worden als toen zij talrijk waren, 9. hoewel Ik hen zal hebben uitgezaaid onder de volken, zelfs in verre oorden, zullen zij Mij gedenken en zij zullen overleven met hun kinderen [Daden 16:31], en zij zullen terugkeren, 10. en Ik zal hen terugbrengen uit het land van de verschansingen (Mitsráyim), en van de Opperste (‘Ashshúwr) zal Ik hen weghalen, en Ik zal hen brengen naar het land van de Getuigenhoop (Gal`ë ́th) en de Witheid (Lvânówn), en hij [‘Ephráyim (v. 7)] zal voor hen [Verschansingen en Succesvolle] niet gevonden worden, 11. hoewel hij door de zee van tegenspoed zal gaan en hij tegen de golven van de zee zal slaan, dan zullen alle diepten van de rivier [Nijl] opdrogen en de verhoging van de Succesvolle (‘Asjoewr) zal worden neergehaald en de stam van de Verschansingen (Mitsráyim), zij zal wijken, 12. en Ik zal hen [de stam van Verschansingen (Mitsráyim) (v. 11)] dapper maken in Yâ-hwéh en zij zullen hun roem laten zijn over Zijn naam.”

(56)(57)(58)(59) De naam “Yâ-hwéh” betekent “”Hij doet bestaan”, dus dit heeft betrekking op deze term ‘a-hyéh, die betekent “Ik ZAL ZIJN TE BESTAAN”, aangezien het de eerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd is, de Hiphiyl vervoeging van Strong’s #1961; de ‘e-hyéh die in het Masoretisch gevonden wordt is de qal vervoeging van dezelfde Strong’s #1961, alleen betekent het “Ik ZAL BESTAAN”.
(60) Aangezien een paard sterker en sneller is dan een stoffelijk mens, en een stoffelijk mens erop rijdt en het met zijn teugels in bedwang houdt, vertegenwoordigt een paard vaak geestelijk een geest, wiens kracht een stoffelijk mens gebruikt, vertrouwt en van wie hij afhankelijk is, terwijl hij zijn naam aanroept. De aard van die kracht wordt gesuggereerd door de kleur van het paard.

Zacharia 9 | Zacharia 11

Share